Print deze pagina

Coöperatief leren introduceren

Begin met een eenvoudige werkvorm en introduceer deze als experiment; dat maakt dat het achteraf evalueren als heel vanzelfsprekend wordt ervaren. Op de vragen 'wat ging goed', 'wat niet goed' en 'hoe het een volgende keer (nog) beter zou kunnen verlopen' worden dan op een natuurlijke manier antwoorden gegeven. Het is wel zaak dat je als leerkracht de activiteiten heel goed voorbereidt. Bedenk hoe je de stappen van de werkvorm zult gaan beschrijven. Hoe zul je checken of iedereen de procedure begrepen heeft (bijv. afspreken dat een leerling de duim omlaag houdt als het niet begrepen is)? Vraag je ook goed af of kinderen de werkvorm al aan kunnen. Op welke vaardigheden wordt een appèl gedaan? Moeten kinderen niet eerst wat worden geholpen in het leren stellen van vragen of hulp bieden? Moet je vooraf nog aandacht schenken aan regels voor het werken in coöperatieve leergroepen? Wie laat je met wie samenwerken? Wat doe je met groepen die eerder klaar zijn? Welke vragen stel je bij de evaluatie? Veel van bovenstaande vragen worden besproken in onderstaande FAQ-list. Klik op een vraag om het antwoord te kunnen lezen

1. Welke werkvormen ga ik in de les inzetten?

Een werkvorm moet passen bij het lesdoel en de specifieke fase van de les. Van een heel aantal werkvormen is bekend bij welke fase in de les ze goed ingezet kunnen worden. Klik hier voor meer informatie.

2. Hoe groot maak ik de groepen?
De keuze van de werkvormen hangt hiermee samen. Wanneer leerlingen nog weinig ervaring hebben of nog over weinig vaardigheden beschikken, zal het werken in tweetallen voorlopig al voldoende zijn.
3. Wie laat ik met wie samenwerken?
Het uitgangspunt is dat in heterogeen samengestelde groepen gewerkt gaat worden. De niveaus mogen echter ook weer niet te ver uit elkaar lopen. Voorafgaande aan oefeningen zal ik mij dus beraden moeten hebben over de samenstelling van groepen. Daarbij rekening houdend met het niveau, maar ook met zaken als motivatie, sociale vaardigheden, etniciteit, geslacht enz. Een lijst met leerlingen gerangschikt van hoog naar laag niveau binnen een bepaald vak kan in vier niveaugroepen worden verdeeld om vervolgens steeds vanuit elke niveaugroep een leerling te kiezen voor de cooperatieve werkgroep. Een heterogeen samengestelde groep blijft gedurende een zestal weken (de periodes tussen vakanties bijvoorbeeld) bij elkaar. De groep moet immers de kans krijgen om te groeien in het samenwerken.
4. Hoe zorg ik voor goede plaatsing van het meubilair?
Ook hier past enige oefening met de kinderen samen. De kinderen moeten leren om met zo weinig mogelijk beweging, lawaai, enz. ook het meubilair te verplaatsen. Ook dit moet dus geoefend worden en waarschijnlijk worden voorzien van enkele regels (die uiteraard positief geformuleerd worden en liefst samen met de kinderen).
5. Hoe ga ik materialen verdelen?
Ook hier geldt de vraag in hoeverre de leerlingen al vertrouwd zijn met de diverse rollen. Rollenkaartjes kunnen daarbij hun dienst bewijzen.
Er kan ook gewerkt worden met plaatsnummers. De leerkracht geeft dan bijvoorbeeld aan dat de nummers 3 de materialen mogen ophalen en verdelen.
6. Wat laat ik groepjes doen die al klaar zijn?
Ik moet dus zinvolle 'sponsactiviteiten' bedenken.
7. Hoe start ik mijn les? Welke instructie ga ik geven?
Ervaring leert dat het van belang is dat met zo weinig mogelijk woorden de instructie gegeven gaat worden. Zeker in het begin wanneer werkvormen nog moeten worden ingeoefend. Heel duidelijk moet daarna worden nagegaan of iedereen alles begrepen heeft.
8. Wat kan ik aan samenwerkingsmoeilijkheden verwachten?
Mogelijk is het verstandig om vooraf enkele vaardigheden apart in te oefenen zoals het verplaatsen van meubilair of het stellen van vragen of het luisteren of helpen. Daartoe kunnen zogenaamde T-kaarten een bijdrage leveren. Kaarten waarbij samen met de kinderen wordt nagegaan wat luisteren bijvoorbeeld is. Hoe dat er uit ziet, en wat je dan hoort.
9. Hoe houd ik verder greep op het proces gaande de rit?
Het is van belang goed zicht te houden op het nauwgezet volgen van de procedures binnen de werkvormen. Om de beurt moet echt betekenen om de beurt enz. Anders gaat de kracht van de vorm verloren. Veelal zullen vormen van beloning bij goede voorbeelden mooi kunnen worden ingezet ter stimulering van de groepsactiviteiten. Mogelijk moet ook hier en daar een vorm wat worden vereenvoudigd.
10. Hoe ga ik evalueren?
Doe ik de evaluatie mondeling of schriftelijk? De volgende drie vragen dienen goed in gedachten te worden gehouden: wat ging goed, wat ging fout, wat doen we een volgende keer anders?
Soms kan het product worden gepresenteerd aan de gehele klas. Het is dan zaak ook te bedenken hoe een bijdrage beloond zal gaan worden (applaus/buiging/ 'oke'- teken enz.).

Bron: Förrer, M., Jansen, L. en Kenter, B. (2004). Coöperatief leren voor alle leerlingen! Praktische toepassingen voor leerlingen met speciale behoeften. Amersfoort: CPS, onderwijsontwikkeling en advies